Wat vreemd dat je er niet zult wezen.
Wanneer wij weer naar
huis zullen gaan.
Je zult niet in de kamer staan.
En ons begroeten als voor dezen.
O, die vertrouwde kleine dingen.
Die je zo onopvallend deed.
Die zullen wij missen.
Tot dit leed verstild is, tot herinneringen.
En ook al heb je ons verlaten.
Je laat ons nooit alleen.
Wat wij in jou bezaten.
Blijft altijd om ons heen.
Heel bijzonder heel gewoon.
Gewoon een heel bijzonder mens.
Een jaar is er alweer voorbij, wat vliegt de tijd. Het speelt zicht allemaal nog in mijn hoofd af alsof het gisteren was. Het telefoontje van mijn zus op mijn werk "de buren hebben pa gevonden, dood op zijn bed". En dan lijkt de rest zich af te spelen als in een roes. Twee ouders verliezen op dezelfde manier is net iets teveel van het goede. Maar nu een jaar later kan ik verder met de mooie herinneringen en heb ik het een plekje kunnen geven.
Ik zie de bomen vol bloesempracht
de schapen grazend in de wei.
Ik voel de zon in al zijn kracht
en ik weet: dit gaat nooit voorbij.
Daar tussen de bomen van mijn bloesemlaan
word ik geroepen, ik moet nu gaan.
Met de vogels vlieg ik mee
tot achter de horizon.
Terug, terug naar waar het allemaal begon.
De gedichtjes heb ik voorgelezen op de begrafenis van mijn vader. Ik koos ze uit omdat ze bij mijn gevoel en bij mijn vader pasten.
.
